De vijf oriëntaties
De vijf oriëntaties
Vijf richtingen van waaruit het gedeelde bestaan ons kan aanspreken.
De oriëntaties helpen opmerken langs welke weg het gedeelde bestaan ons kan aanspreken. Dat kan via het lichaam, via de relaties waarin we staan, via wat niet op te lossen is, via de manier waarop de wereld is ingericht, of via wat uit het verleden doorwerkt. Ze richten de aandacht op wat in onze vanzelfsprekende manieren van waarnemen, begrijpen en handelen onopgemerkt blijft of te snel wordt ingevuld, en soms ook op hoe het vertrouwde ons opnieuw kan raken.
Pedagogisch bieden ze ingangen om lessen, workshops en projecten te ontwerpen. Ze bepalen van waaruit iets wordt ingebracht en waar de aandacht op ligt. Ook geven ze houvast bij het observeren tijdens de uitvoering. Wat dit van de educator vraagt en wat ermee wordt beoogd, beschrijft de pedagogische beweging.
Belichaamd waarnemen
We leren het gedeelde bestaan niet alleen met ons hoofd kennen
Aandacht voor hoe we lichamelijk, zintuiglijk en gevoelsmatig betrokken zijn bij wat we tegenkomen.
Relationeel verhouden
We bestaan niet op onszelf.
Aandacht voor onze verwevenheid met menselijk én meer-dan-menselijk bestaan: hoe mensen, andere levensvormen, plekken en materialen elkaar mogelijk maken en vormen. Zowel in afhankelijkheid als soms in conflict.
Getuigen zonder te fiksen
Niet alles hoeft of kan worden opgelost.
Aandacht voor wat we niet volledig kunnen begrijpen, oplossen of herstellen, bijvoorbeeld verlies of wat niet kan blijven zoals het was.
Wereld (mede)vormgeven
De wereld zoals we haar kennen ligt niet vast.
Aandacht voor hoe beelden, verhalen, categorieën en ordeningen onze wereld mede vormen: wat ze laten zien en wat ze buiten beeld houden.
Herinneren
Wat uit beeld is geraakt, is niet verdwenen.
Aandacht voor wat uit beeld raakte en doorwerkt, en voor wat herinneren zelf in het heden doet.